Phillip Terry (7 maart 1909 – 23 februari 1993) was een Amerikaans acteur. Terry werd geboren als Frederick Henry Kormann in San Francisco, Californië, als enig kind van de Duitse Amerikanen Frederick Andrew Kormann en Ida Ruth Voll. Zijn vader was een chemisch ingenieur in de olievelden die vaak verhuisde. Hij ging naar de lagere school in Glendale, Californië. Hij ging naar de Iona High School in New York en het Sacred Heart College in San Francisco. Toen hij de middelbare school afmaakte, sloot hij zich voorgoed weer bij zijn ouders aan. Hij werkte een tijd in de olievelden als roustabout, daarna als gereedschapsduwer en rigbouwer. Toen hij zeventien jaar was, verhuisden ze terug naar San Francisco. Hij studeerde aan Stanford Universiteit, en waar hij voetbalde. Daarna raakte hij geïnteresseerd in theater. Na een kort verblijf in New York ging hij in 1933 naar Londen, waar hij zich inschreef aan de Royal Academy of Dramatic Art. Na zijn studie aan de Royal Academy toerde hij vier jaar lang door Britse provincies en trad hij op in stocktheater. Hij ging naar Hollywood, Californië en nam een baan aan bij CBS Radio, waar hij optrad in een aantal toneelstukken in de ether, gespecialiseerd in Shakespeare-rollen. Terry maakte een screentest en kreeg een contract met de studio. Onder zijn filmoptredens had hij een kleine rol in de film Mannequin (1937) met Joan Crawford in de hoofdrol. Twee jaar later tekende hij bij Paramount, waar hij speelde in The Parson of Panamint (1941), The Monster and the Girl, Wake Island (1942), Bataan (1943). Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Terry geclassificeerd als “4F” ongeschikt voor militaire dienst vanwege een gebrekkig zicht. Toen hij Paramount verliet, tekende hij bij RKO en was in Music in Manhattan (1944), George White’s Scandals (1945), Pan-Americana (1945), Born to Kill (1947) en de hoofdrol in Seven Keys to Baldpate (1947). Phillip Terry verscheen in meer dan tachtig films in de loop van zijn carrière. Maar in de jaren 1940 kreeg hij grotere en talrijkere rollen in enkele kwaliteitsfilms, zoals The Lost Weekend (1945), To Each His Own (1946). Toen zijn carrière in de late jaren 1940 begon af te glijden, richtte hij zijn aandacht op onroerend goed. Hij was een goede verkoper en investeerder en werd uiteindelijk erg rijk. Hij trouwde op 21 juli 1942 op de Hidden Valley Ranch in Ventura County, Californië, met filmster Joan Crawford. Ze scheidden in 1946. Terry heeft het acteren nooit helemaal opgegeven. Tijdens de jaren 1950, 1960 en vroege jaren 1970 nam hij af en toe filmrollen op zich. Enkele van zijn betere B-films uit deze periode zijn The Leech Woman (1960), The Navy vs. the Night Monsters (1966). Soms accepteerde hij televisierollen en zat hij in afleveringen van The Name of the Game en Police Woman. Hij maakte ook vijf gastoptredens in Perry Mason “The Case of the Gallant Grafter” uit 1960 en hij speelde moordenaar Lawrence Kent in de aflevering “The Case of the Resolute Reformer” uit 1961. Terry overleed op de leefijd van 83 jaar op 23 februari 1993 in zijn huis in Santa Barbara.